Blootgesteld aan de bittere koude en,
nieuwsgierige blikken van de mensen,
wordt je meegenomen naar de warmte,
versiert worden voor zolang het duurt,
om daarna even snel weer gedumpt,
of verbrandt te worden.
De lelijkste bewaard voor het laatst,
of opgesnoeid tot decoratiestukken.
Je wortels al lang afgeknipt,
vermalen tot compost of zoiets,
nu al ben je gehalveerd,
om je wederhelft nimmer meer te zien.
Eenmaal binnen vallen van schrik je naalden uit,
van alle hypocriete drukte om je heen.
Verblind door je lichtjes, en ballen
die als lood op je takken drukken,
aanschouw je het tafereel van de kerst,
en denkt, "was ik maar nooit opgegroeid".